Friday, June 03, 2005
HET KONKELHUIJS VAN NAARDEN
_______________________________________________________________
Naarden was de tijd ver vooruit. In 1803 was er in het vestingstadje een
Konkelhuijs, nu zouden we zeggen een Coffee-shop. Niet iedereen was daar
gelukkig mee en een Naardense notabele schreef hierover een lange brief 'op
poten' aan de Baljuw van Gooiland. Hij schreef: "Zo genoemde Konkelhuijse,
alwaar niet zelden de Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word".
Als voorbeeld noemde deze voorname heer een zekere Manus van Rossum. Manus
voelde zich de pineut en zou, in deze tijd, de volgende verklaring hebben gegeven:
"Laat ik mij even voorstellen, mijn naam is Manus van Rossum. Tot mijn 18e
jaar woonde ik thuis bij mijn moeder in de Kloosterstraat te Naarden . (1) In
1803 kreeg ik een betrekking binnen ons stadje. als oppasser trad ik in dienst
bij Baron Raab van Castein. Per week verdiende ik een stuiver. Na gedane
arbeid ging ik vaak naar het plaatselijke konkelhuijs (2) van Mie Rochel. Mie
woonde samen met haar mooie dochter Maria in de Sint Annastraat vlakbij de
Grote Kerk. Om de voordeur te vermijden ging ik steeds stiekem achterom via
het Kerkpaadje. Al gauw raakte ik in de ban van Maria en bovendien verslaafd
aan haar smakelijke coffij. Met een stuiver in de week kun je weinig lekkere
koppies coffij kopen. Tijdens het konkelen (3) kwam bij mij een plan op iets
bij te snabbelen. Ik besloot het spaarvarken van Castein's dochter te
slachten. De buit was twee zilveren theelepeltjes en een dito vingerhoed.
Maria ging ermee naar de winkel op de hoek van de Marktstraat /
Gansoordstraat. Daar verkocht zij mijn buit aan de plaatselijke zilversmid
Wijnand Ruijghout. Hij betaalde voor deze spullen 2 gulden en een stuiver. Zo
kon ik weer een tijdje vooruit. Nu ik de smaak te pakken kreeg, haalde ik uit
de camisoolzak van mijn baas een gulden. Castein had het blijkbaar in de gaten
gekregen, want toen ik binnenshuis een dubbeltje opraapte, was het huis te
klein. Mijnheer had het bewust neergelegd en ik was ik de val gelopen. Direct
schreef de Baron een lange brief op poten aan de Baljuw van Gooiland. Hierin
wees hij op de verderfelijke invloed van de konkelhuijsen op de jeugd. De
baljuw nam mij een streng verhoor af. Na afloop moest ik een verklaring
tekenen. Met het puntje van mijn tong tussen mijn tanden, ondertekende ik
heel keurig met Hermanus van Rossum.
Daarna had ik de schrik goed te pakken. Pas als volwassene, op mijn 24e jaar,
durfde ik weer een konkelhuijs te bezoeken. Mooie Maria heb ik nooit meer
teruggezien".
Baron Raab van Castein zag het allemaal anders. Hieronder staat de brief die
hij op 12 september 1803 aan de Baljuw schreef:
"Aan den Heer Mulder, Baillieu van Naarden en Gooijland & &
Wel Edel Gestrenge Heer,
den Ondergetekende: hoe zeer ook door gevoel van menschenlievde aangedaan,
vind sich egter genoodzaakt, ter bevijliging van Eigendommen en het moogelijk,
ter Uitroeiing van permisente zo genoemde Konkelhuijse, alwaar niet zelden de
Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word, het volgende ter Uwer kennis te
brengen.
hier in de Stad dominilieerende en wel ten huijse van zijn Moeder, omme
voor zeeker tantieme S/Weeks mij te dienen als oppasser en waar meede ik dan
ook contracteerde. Geduurende zijn verblijf bij mij, wierd er van tijd tot
tijd dit en geene bij mij vermist. Daar ik dien jonge niet sluw, geraffineerd
voor. Eenige Weeken wierd mij aangedient zekere Manus, de toenaam mij
onbekent, dog genoeg beschouwde, daar ik hem altoos heb geoordeelt niet
geheel en al wel bij zijn positieve te zijn, konde hem niet inspecteeren te meer
daar ik hem overlaade met weldaaden, dog gepasseerde Woensdag ogtend een
gulden uijt mijn linker camisools sak missende, die ik 's avonds had ingestooken,
beproefde ik hem des nade middags door geld op de grond te leggen en wierd in
mijne vreeze ten zijne opsigte bevestigd toen bij een silversmit hier ter Stede
gaande, herkende ik een nieuwe doorgebrooken eens oude heelen teelepel en
vingerhoed voor mijner en wierd mij door deze man gezegd die goederen daar
door zeekere Mie Rossel verkogt te zijn. Ik liet Maanus dien zelfden avond bij
mij ten bij wezen van mijne Huijsvrouw en zijne Moeder, dat hij , zo genoemt,
varken van mijn dogter, waarin de twee leepels, den vingerhoed, de gulden en
een dubbeltje van mij op de grond gelegd, genoomen had, dat hij dat alles had
gebragt bij die Mie Rossel, die hem dwong en lastig viel, en niet rustte
voordat hij haar geld of goed bezorgde. De wijze op welke hij contesseerde de
.... en geheele consternatie bevestigde mij in meerder, dat hij niet wel bij
zijn oordeel waar. Overigens geef ik aan U Wel Edel Gestrenge Mr. verligt
oordeel, wie hier de meeste schuldigen en voor de maatschappij gevaarlijk is.
Na zijn vertrek mis ik voor als nog niets meerder ... mij in Wel Edel
Vriendschap om mee ... heb ik de eer te zijn
Wel Edel Gestrenge Heer Naarden 12 Augustus 1803
P.s. De moeder van Maanus zal Uw Ed. zeer veel kunnen illustreeren weegens de
conduite van die Mie Rossel, welke mij onbekend is.
___________________________________________
Noten:
1) Tegenwoordig huisnummers 15 en 17
2) Soort achttiende-eeuwse Coffeeshop
3) Koffieleuten
_____________________________________________
Naarden 650 jaar (2000) : Het lievelings plekje van 'Manus van Rossum'
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
_____________________________________________
Naarden was de tijd ver vooruit. In 1803 was er in het vestingstadje een
Konkelhuijs, nu zouden we zeggen een Coffee-shop. Niet iedereen was daar
gelukkig mee en een Naardense notabele schreef hierover een lange brief 'op
poten' aan de Baljuw van Gooiland. Hij schreef: "Zo genoemde Konkelhuijse,
alwaar niet zelden de Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word".
Als voorbeeld noemde deze voorname heer een zekere Manus van Rossum. Manus
voelde zich de pineut en zou, in deze tijd, de volgende verklaring hebben gegeven:
"Laat ik mij even voorstellen, mijn naam is Manus van Rossum. Tot mijn 18e
jaar woonde ik thuis bij mijn moeder in de Kloosterstraat te Naarden . (1) In
1803 kreeg ik een betrekking binnen ons stadje. als oppasser trad ik in dienst
bij Baron Raab van Castein. Per week verdiende ik een stuiver. Na gedane
arbeid ging ik vaak naar het plaatselijke konkelhuijs (2) van Mie Rochel. Mie
woonde samen met haar mooie dochter Maria in de Sint Annastraat vlakbij de
Grote Kerk. Om de voordeur te vermijden ging ik steeds stiekem achterom via
het Kerkpaadje. Al gauw raakte ik in de ban van Maria en bovendien verslaafd
aan haar smakelijke coffij. Met een stuiver in de week kun je weinig lekkere
koppies coffij kopen. Tijdens het konkelen (3) kwam bij mij een plan op iets
bij te snabbelen. Ik besloot het spaarvarken van Castein's dochter te
slachten. De buit was twee zilveren theelepeltjes en een dito vingerhoed.
Maria ging ermee naar de winkel op de hoek van de Marktstraat /
Gansoordstraat. Daar verkocht zij mijn buit aan de plaatselijke zilversmid
Wijnand Ruijghout. Hij betaalde voor deze spullen 2 gulden en een stuiver. Zo
kon ik weer een tijdje vooruit. Nu ik de smaak te pakken kreeg, haalde ik uit
de camisoolzak van mijn baas een gulden. Castein had het blijkbaar in de gaten
gekregen, want toen ik binnenshuis een dubbeltje opraapte, was het huis te
klein. Mijnheer had het bewust neergelegd en ik was ik de val gelopen. Direct
schreef de Baron een lange brief op poten aan de Baljuw van Gooiland. Hierin
wees hij op de verderfelijke invloed van de konkelhuijsen op de jeugd. De
baljuw nam mij een streng verhoor af. Na afloop moest ik een verklaring
tekenen. Met het puntje van mijn tong tussen mijn tanden, ondertekende ik
heel keurig met Hermanus van Rossum.
Daarna had ik de schrik goed te pakken. Pas als volwassene, op mijn 24e jaar,
durfde ik weer een konkelhuijs te bezoeken. Mooie Maria heb ik nooit meer
teruggezien".
Baron Raab van Castein zag het allemaal anders. Hieronder staat de brief die
hij op 12 september 1803 aan de Baljuw schreef:
"Aan den Heer Mulder, Baillieu van Naarden en Gooijland & &
Wel Edel Gestrenge Heer,
den Ondergetekende: hoe zeer ook door gevoel van menschenlievde aangedaan,
vind sich egter genoodzaakt, ter bevijliging van Eigendommen en het moogelijk,
ter Uitroeiing van permisente zo genoemde Konkelhuijse, alwaar niet zelden de
Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word, het volgende ter Uwer kennis te
brengen.
hier in de Stad dominilieerende en wel ten huijse van zijn Moeder, omme
voor zeeker tantieme S/Weeks mij te dienen als oppasser en waar meede ik dan
ook contracteerde. Geduurende zijn verblijf bij mij, wierd er van tijd tot
tijd dit en geene bij mij vermist. Daar ik dien jonge niet sluw, geraffineerd
voor. Eenige Weeken wierd mij aangedient zekere Manus, de toenaam mij
onbekent, dog genoeg beschouwde, daar ik hem altoos heb geoordeelt niet
geheel en al wel bij zijn positieve te zijn, konde hem niet inspecteeren te meer
daar ik hem overlaade met weldaaden, dog gepasseerde Woensdag ogtend een
gulden uijt mijn linker camisools sak missende, die ik 's avonds had ingestooken,
beproefde ik hem des nade middags door geld op de grond te leggen en wierd in
mijne vreeze ten zijne opsigte bevestigd toen bij een silversmit hier ter Stede
gaande, herkende ik een nieuwe doorgebrooken eens oude heelen teelepel en
vingerhoed voor mijner en wierd mij door deze man gezegd die goederen daar
door zeekere Mie Rossel verkogt te zijn. Ik liet Maanus dien zelfden avond bij
mij ten bij wezen van mijne Huijsvrouw en zijne Moeder, dat hij , zo genoemt,
varken van mijn dogter, waarin de twee leepels, den vingerhoed, de gulden en
een dubbeltje van mij op de grond gelegd, genoomen had, dat hij dat alles had
gebragt bij die Mie Rossel, die hem dwong en lastig viel, en niet rustte
voordat hij haar geld of goed bezorgde. De wijze op welke hij contesseerde de
.... en geheele consternatie bevestigde mij in meerder, dat hij niet wel bij
zijn oordeel waar. Overigens geef ik aan U Wel Edel Gestrenge Mr. verligt
oordeel, wie hier de meeste schuldigen en voor de maatschappij gevaarlijk is.
Na zijn vertrek mis ik voor als nog niets meerder ... mij in Wel Edel
Vriendschap om mee ... heb ik de eer te zijn
Wel Edel Gestrenge Heer Naarden 12 Augustus 1803
P.s. De moeder van Maanus zal Uw Ed. zeer veel kunnen illustreeren weegens de
conduite van die Mie Rossel, welke mij onbekend is.
___________________________________________
Noten:
1) Tegenwoordig huisnummers 15 en 17
2) Soort achttiende-eeuwse Coffeeshop
3) Koffieleuten
_____________________________________________
Naarden 650 jaar (2000) : Het lievelings plekje van 'Manus van Rossum'
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
_____________________________________________